Bij Cel kies je wat er in de cellen komt te staan. Er zijn vijf keuzes, en ze vertellen verschillende dingen over dezelfde matrix.
De vijf keuzes
Omzet: de geschatte omzet van de producten in die cel.
Afzet: het geschatte aantal verkochte stuks.
Impressies: het aantal weergaven.
Marktaandeel: het aandeel van die cel.
Producten: hoeveel producten in die cel vallen.
Vraag en aanbod in dezelfde matrix
De vijf keuzes vallen in twee soorten:
Omzet, afzet en impressies zeggen iets over de vraag: wat er in die combinatie wordt gekocht of bekeken.
Producten zegt iets over het aanbod: hoeveel verkopers die combinatie aanbieden.
Wissel je tussen die twee, dan zie je waar veel vraag met weinig aanbod samenkomt en waar veel aanbieders om dezelfde vraag vechten. Dezelfde matrix, twee verschillende vragen.
Omzet en afzet geven een ander beeld
In een markt met een breed prijsbereik is de cel met de meeste omzet niet de cel met de meeste stuks. Duurdere producten doen omzet met minder stuks. Voor de vraag wat wordt er het meest gekocht is afzet de juiste keuze, voor waar zit het geld omzet.
Impressies naast afzet
Een cel met veel impressies en weinig afzet wordt wel gezien maar niet gekocht. Dat is een andere situatie dan een cel die nauwelijks wordt gezien. Waar die impressies vandaan komen staat in de zichtbaarheidsanalyse. Zie Zichtbaarheid: de drie weergaven.
Goed om te weten
De celwaarde volgt de tijdsperiode die je boven de tabel hebt gezet. Omzet, afzet en impressies gaan dus over die periode; het aantal producten niet, want dat is een telling van je selectie.